Laat ik mijn zaterdag eens nabeschouwen. Want afgelopen zaterdag was er wel één om te onthouden.
Het was Veteranendag. Ik wist dat, maar ik had niet de intentie om iets met die wetenschap te doen. De intentie die ik wèl had, was om op een terras een boek te lezen. Maar ja, toen ik daar naartoe wandelde, kwam ik middenin het Veteranengebeuren terecht. En toen dacht ik: “Hé, de vader van M. zou hier best eens kunnen spelen!” (de vader van M. (hij heet N.) is klarinettist, red.)
Dus ik sms’te vriendin M. voor inside information, maar die reageerde niet, wat ik ook niet echt verwachtte aangezien ik al dacht dat ze moest werken.
Bij het stoplicht stonden twee politiemensen, waarvan er één een programmaboekje had. Dus toen kon ik daar de benodigde info inwinnen en leerde ik dat N. inderdaad aanwezig was. Dus ik kon even “hoi” gaan zeggen. Klein puntje: hoe vind je iemand tussen duizenden mensen op het Malieveld?
Nou, dat gaat als volgt.
Eerst zocht ik iemand voor algemene info omtrent ‘de muziek’. Die persoon stuurde mij naar een witte tent. Ik zag daar iemand met een schuiftrompet en wist dat ik goed zat. Maar iedereen was al naar het startpunt van het defilé. Iemand die veel over de muziek wist stuurde mij richting ‘de blauwe boog’, want “daar moeten ze wel ergens zijn”. Ter hoogte van de blauwe boog was het infopunt defilé en daar kreeg ik de illustere aanwijzing “achter de tent, onder de boom”. Tenten stonden overal, en bomen zijn er ook in overvloed, maar ik liet me niet uit het veld slaan. (inderdaad: uit het Malieveld).
Achter de tent onder de bomen stonden héél veel muzikanten. Maar ze stonden netjes gegroepeerd, wat het overzichtelijk maakte. Ik kreeg weer een hint: ik moest in “vak M” zijn. Vakken: nergens. Letters: nergens. Maar vooruit.
Ik zigzagde tussen trombones en trommels door en vond uiteindelijk een groep met berenmutsen. Daar moest N. tussen staan. De laatste aanwijzing luidde: “Twee rijen naar voren uiterst links”. Ik herkende N. namelijk niet direct met die muts.
En toen heb ik dus “hoi” gezegd. En hij zei ook”hoi” en we babbelden wat en het was echt heel leuk.
Daarna ben ik langs de route gaan staan om te kijken en te luisteren en te klappen en ik vond het heel mooi. Ik kreeg drie anjers: eentje van het meisje dat ze uitdeelde, eentje van de meneer die naast me stond en eentje van een stokoude veteraan. Dat was lief. Ik heb ook nog erg gelachen om een legervoertuig gevuld met oude veteranen die uit volle borst “van je hela hola houd er de moed maar in” zaten te zingen.
Uiteindelijk ben ik toch nog op het terras beland en heb ik heerlijk in het zonnetje zitten lezen. Wat later dan gepland, maar ik had dit hele gebeuren niet willen missen.
En N. ook niet, want die had ik al heel lang niet gezien.
dinsdag 29 juni 2010
zaterdag 26 juni 2010
Anne vs de rest
Eergisteren zat ik met vriendin J. op een terrasje. We kwekten natuurlijk heel veel, want dat doen wij nu eenmaal. Op een gegeven moment zei ik: "Ik ben denk ik gewoon geen vrouw waar mannen stante pede als bij toverslag verliefd op worden."
Ik meen dat. In mijn 26-jarige leventje heb ik nog maar één keer een ware oerknalverliefdheid meegemaakt, en de oplettende lezer weet hoe dat is afgelopen. Het is niet dat ik het als probleem kwalificeer, maar na ruim drie jaar vrijgezel zijn is het wel iets om over na te denken. En ik denk dat ik het inmiddels ook wel snap. Een beetje dan.
Ik ben gewoon niet standaard. En dat siert me, al zeg ik het zelf. Maar deel van het niet standaard zijn is ook dat ik dus niet zo goed ben in flirten. Een praktisch voorbeeld.
Stel: een meisje heeft een date op een locatie naar keuze met een aantrekkelijke meneer.
Stel ten tweede: op haar route naar de locatie naar keuze wordt ze overvallen door een wolkbreuk, raast er net een orkaan over, werkt het weer anderszins bepaald niet mee.
Er zijn meisjes die dan nóg ter plaatse arriveren met een look als ware zij de centerfold van de FHM. De mascara zit nog netjes, haar jas heeft de regen goed tegengehouden en de wet-look geeft het totaalplaatje alleen maar wat extra sjeu.
Zo'n meisje ben ik niet. Als ik in zo'n situatie beland, enter ik de datelocatie als was ik de centerfold van de TamTam. Ik weet niet of iemand dat blaadje nog kent, maar om u een idee te geven: op de posters in de TamTam stond meestal een verontwaardigde aap of een beteuterde pandabeer. En ik weet die twee dan ook nog op doortastende wijze te combineren, want meestal kom ik op zo'n moment vloekend en onder de mascara binnenzeilen. Weg charme.
Die andere meisjes weten bijvoorbeeld ook precies hoe je met je wimpers moet wapperen, op welke momenten je een man even licht moet aanraken (en waar), en zonder dat ze zelf dan verder een bijdrage van betekenis leveren aan de conversatie, winden ze het heerschap toch om hun vingertje.
Dat ben ik ook niet. Ik klets vrolijk en veel (never a dull moment), en als ik met mijn wimpers wapper is de hoogst haalbare reactie: "Heb je last van je lenzen?" Uhuh.
En zelfs mijn USP, 'humor', komt niet altijd van pas. Want mannen en vrouwen hebben een andere invulling van de kwaliteit 'gevoel voor humor', wist u dat? Mannen vinden 'gevoel voor humor' dat zij om zijn grapjes lacht. Vrouwen vinden 'gevoel voor humor' dat hij haar aan het lachen kan maken. Ik vind 'gevoel voor humor' dat een man om mijn grapjes lacht (ziehier: mijn mannelijke kant) en dat we elkaar een beetje 'opzwepen' met grapjes en er een bescheiden wedstrijdje scherp zijn van maken. Want echt: pareer mijn rake opmerkingen, schiet op het juiste moment in de lach en verras me met jouw grappen en je hèbt me. O, en als ik weer eens losbarst in zelfspot: doe mee! Ga niet tuttelen van "Och" en "Dat valt wel mee", want ik hóu van zelfspot. Bof ik even dat ik mij daar ook nog eens goed voor leen.
Nu klinkt dit alles misschien als "hoe zeik ik mezelf af in drie korte bedrijven", maar zo moet u dat niet zien. Want ik wil niet anders zijn. Ik wil niet zo'n gewiekste mannenverslindster zijn. Als ik al het bovenstaande zou moeten veranderen om succes te hebben in de datingscene, dan wordt mijn ware ik aangetast. Nou, en dat lijkt me niet de bedoeling.
Dan maar geen liefdes op het eerste gezicht.
Liever op het tweede of het derde.
En dat het dan om mij gaat in plaats van om uiterlijk vertoon.
Ik meen dat. In mijn 26-jarige leventje heb ik nog maar één keer een ware oerknalverliefdheid meegemaakt, en de oplettende lezer weet hoe dat is afgelopen. Het is niet dat ik het als probleem kwalificeer, maar na ruim drie jaar vrijgezel zijn is het wel iets om over na te denken. En ik denk dat ik het inmiddels ook wel snap. Een beetje dan.
Ik ben gewoon niet standaard. En dat siert me, al zeg ik het zelf. Maar deel van het niet standaard zijn is ook dat ik dus niet zo goed ben in flirten. Een praktisch voorbeeld.
Stel: een meisje heeft een date op een locatie naar keuze met een aantrekkelijke meneer.
Stel ten tweede: op haar route naar de locatie naar keuze wordt ze overvallen door een wolkbreuk, raast er net een orkaan over, werkt het weer anderszins bepaald niet mee.
Er zijn meisjes die dan nóg ter plaatse arriveren met een look als ware zij de centerfold van de FHM. De mascara zit nog netjes, haar jas heeft de regen goed tegengehouden en de wet-look geeft het totaalplaatje alleen maar wat extra sjeu.
Zo'n meisje ben ik niet. Als ik in zo'n situatie beland, enter ik de datelocatie als was ik de centerfold van de TamTam. Ik weet niet of iemand dat blaadje nog kent, maar om u een idee te geven: op de posters in de TamTam stond meestal een verontwaardigde aap of een beteuterde pandabeer. En ik weet die twee dan ook nog op doortastende wijze te combineren, want meestal kom ik op zo'n moment vloekend en onder de mascara binnenzeilen. Weg charme.
Die andere meisjes weten bijvoorbeeld ook precies hoe je met je wimpers moet wapperen, op welke momenten je een man even licht moet aanraken (en waar), en zonder dat ze zelf dan verder een bijdrage van betekenis leveren aan de conversatie, winden ze het heerschap toch om hun vingertje.
Dat ben ik ook niet. Ik klets vrolijk en veel (never a dull moment), en als ik met mijn wimpers wapper is de hoogst haalbare reactie: "Heb je last van je lenzen?" Uhuh.
En zelfs mijn USP, 'humor', komt niet altijd van pas. Want mannen en vrouwen hebben een andere invulling van de kwaliteit 'gevoel voor humor', wist u dat? Mannen vinden 'gevoel voor humor' dat zij om zijn grapjes lacht. Vrouwen vinden 'gevoel voor humor' dat hij haar aan het lachen kan maken. Ik vind 'gevoel voor humor' dat een man om mijn grapjes lacht (ziehier: mijn mannelijke kant) en dat we elkaar een beetje 'opzwepen' met grapjes en er een bescheiden wedstrijdje scherp zijn van maken. Want echt: pareer mijn rake opmerkingen, schiet op het juiste moment in de lach en verras me met jouw grappen en je hèbt me. O, en als ik weer eens losbarst in zelfspot: doe mee! Ga niet tuttelen van "Och" en "Dat valt wel mee", want ik hóu van zelfspot. Bof ik even dat ik mij daar ook nog eens goed voor leen.
Nu klinkt dit alles misschien als "hoe zeik ik mezelf af in drie korte bedrijven", maar zo moet u dat niet zien. Want ik wil niet anders zijn. Ik wil niet zo'n gewiekste mannenverslindster zijn. Als ik al het bovenstaande zou moeten veranderen om succes te hebben in de datingscene, dan wordt mijn ware ik aangetast. Nou, en dat lijkt me niet de bedoeling.
Dan maar geen liefdes op het eerste gezicht.
Liever op het tweede of het derde.
En dat het dan om mij gaat in plaats van om uiterlijk vertoon.
donderdag 24 juni 2010
Geen zuivere koffie
Dinsdag was er nog niets aan de hand.
Woensdag hadden we ineens nieuwe koffieautomaten op kantoor.
Die nieuwe automaten, die zijn nu echt the talk of the townhall. Nou ja, nog niet eens zozeer de automaten an sich, maar wel de vloeistoffen die ze uitscheiden.
Het heet koffie.
Het ziet eruit als koffie. Dat nog wel.
Maar het spul is niet te tanken. Echt waar niet. Het smaakt als benzine. Of als vloeibaar rubber. Of als vergif. Of als een mengsel van die drie. Het is, kortom, bocht. En ik heb inmiddels al de nodige koffiegerelateerde complottheorieën voorbij horen komen waarin we telkens langzaam maar zeker uitgemoord worden.
Collega B. zei: “Langzaam is niet zo erg…”
Ik antwoordde: “Nee, maar dat ‘zeker’ zit me wel dwars.”
En weet u? Ik snap ook helemaal niet waarom het nodig was dat er nieuwe automaten kwamen. Die oude deden het nog prima. Soms lekten ze, maar van een beetje incontinentie is nog nooit iemand slechter geworden. Daarbij: als incontinentie een reden is om iets meteen aan de stoep te zetten, dan kunnen we de bejaardenhuizen ook wel sluiten. Maar ik dwaal af.
Nieuwe automaten: niet nodig dus.
Al zat er wel een gedachte achter de aanschaf van juist déze automaten. Ze lijken namelijk het meeste op de vorige versie. En dat was een belangrijker selectiecriterium dan de kwaliteit van de koffie die eruit komt. Terwijl: ik heb liever een ingewikkeld apparaat met lekkere koffie dan herkenbare knoppies en bocht.
Mijn koffieconsumptie op kantoor is dus drastisch teruggelopen. Ik probeer iedere ochtend één kopje om te proeven of er al progressie is en daarna schakel ik subiet over op thee.
Gelukkig hoef ik mijn hang naar koffie niet geheel af te schrijven. Op kantoor mag het een hopeloze bedoening zijn, maar in mijn huishoudentje staat er een belangrijke koffiegerelateerde ontwikkeling op stapel. Ik krijg een Senseo. Ik krijg de Senseo van vriendin J., omdat zij hem nooit gebruikt. Dit vooruitzicht vervult me al sinds zaterdagochtend met nieuwe levensvreugd.
Dat helpt me de werkdag door.
Woensdag hadden we ineens nieuwe koffieautomaten op kantoor.
Die nieuwe automaten, die zijn nu echt the talk of the townhall. Nou ja, nog niet eens zozeer de automaten an sich, maar wel de vloeistoffen die ze uitscheiden.
Het heet koffie.
Het ziet eruit als koffie. Dat nog wel.
Maar het spul is niet te tanken. Echt waar niet. Het smaakt als benzine. Of als vloeibaar rubber. Of als vergif. Of als een mengsel van die drie. Het is, kortom, bocht. En ik heb inmiddels al de nodige koffiegerelateerde complottheorieën voorbij horen komen waarin we telkens langzaam maar zeker uitgemoord worden.
Collega B. zei: “Langzaam is niet zo erg…”
Ik antwoordde: “Nee, maar dat ‘zeker’ zit me wel dwars.”
En weet u? Ik snap ook helemaal niet waarom het nodig was dat er nieuwe automaten kwamen. Die oude deden het nog prima. Soms lekten ze, maar van een beetje incontinentie is nog nooit iemand slechter geworden. Daarbij: als incontinentie een reden is om iets meteen aan de stoep te zetten, dan kunnen we de bejaardenhuizen ook wel sluiten. Maar ik dwaal af.
Nieuwe automaten: niet nodig dus.
Al zat er wel een gedachte achter de aanschaf van juist déze automaten. Ze lijken namelijk het meeste op de vorige versie. En dat was een belangrijker selectiecriterium dan de kwaliteit van de koffie die eruit komt. Terwijl: ik heb liever een ingewikkeld apparaat met lekkere koffie dan herkenbare knoppies en bocht.
Mijn koffieconsumptie op kantoor is dus drastisch teruggelopen. Ik probeer iedere ochtend één kopje om te proeven of er al progressie is en daarna schakel ik subiet over op thee.
Gelukkig hoef ik mijn hang naar koffie niet geheel af te schrijven. Op kantoor mag het een hopeloze bedoening zijn, maar in mijn huishoudentje staat er een belangrijke koffiegerelateerde ontwikkeling op stapel. Ik krijg een Senseo. Ik krijg de Senseo van vriendin J., omdat zij hem nooit gebruikt. Dit vooruitzicht vervult me al sinds zaterdagochtend met nieuwe levensvreugd.
Dat helpt me de werkdag door.
dinsdag 22 juni 2010
Puzzled
In de lijst van dingen waar ik mij voor schaam, neemt het feit dat ik graag een puzzeltje mag maken een belangrijke plek in. In de ranking scoort het lager dan dat ik Zwitsalproducten gebruik – niet uit dermatologische noodzaak maar omdat het zo lekker naar baby ruikt – en dat ik soms nog steeds naar Samson & Gert kijk. Maar het scoort wel. Ik mag graag puzzelen.
Ik bedoel dan niet het in elkaar puzzelen van een duinlandschap van 1500 stukjes. Daar heb ik namelijk de schurft aan en het geduld niet voor. Maar zet een sudoku, een Zweedse puzzel of een kruiswoordraadsel in je blaadje en je kan er op rekenen dat ik het met passie ga zitten oplossen.
Nu moet ik wel zeggen dat ik me er sinds afgelopen zaterdag iets minder voor schaam. De reden daarvoor is tweeërlei: het had iets te maken met het type puzzel waar ik me aan zette en het had iets te maken met een reactie die ik later op de dag kreeg.
In het weekendmagazine van het NRC Handelsblad staan altijd een sudoku en een scrypto. Die sudoku klus ik altijd wel in elkaar, maar die scrypto laat ik meestal maar voor wat-ie is, want ik ben niet zo van het cryptische. Klare taal past me beter. Maar zaterdag dacht ik in een vlaag van overmoed of gestuurd door een behoefte aan intellectuele uitdaging: laat ik die scrypto eens proberen.
Het begon zoals het altijd begint: met een verwilderde blik in de ogen zat ik naar de aanwijzingen te staren, onderwijl “what the fuck” denkend. Maar toen! Ineens zàg ik er eentje! En daarna nog een! En als je er dan twee hebt, heb je ook alweer meer letters voor de overige woorden / zinnetjes en met dat houvast kwam ik verder en verder in mijn puzzel. Zat ik daar op een sombere zaterdag toch ineens een hele scrypto op te lossen zeg hé!
Later vertelde ik dit met lichte trots aan vriend K., die me vorsend aankeek. “Ik heb echt niets met puzzels”, zei hij, “Misschien omdat ik er helemaal niet goed in ben.” Ik trok een verontschuldigend gezicht en mompelde iets van: “Ja god nou ja, het is ook wel een suffe bezigheid, maar ja…” Daarop zei vriend K.: “Nou… in van die vierkanten met letters ben ik wel goed. Dat je dan woorden moet zoeken.”
Ik probeerde nog sympathiek en begripvol te zijn. Maar dat lukte niet helemaal. Ik schoot onbedaarlijk in de lach, met zo’n priemend vingertje naar K. wijzend en “Woordzoekers, for crying out loud!” hikkend.
Daarna was de schaamte voor mijn puzzelliefde ineens wel minder. Want als iemand met droge ogen durft toe te geven dat hij zich laaft aan woordzoekers terwijl ik met verve een scrypto weet op te lossen, doet mij dat stiekem heel erg goed.
Ik bedoel dan niet het in elkaar puzzelen van een duinlandschap van 1500 stukjes. Daar heb ik namelijk de schurft aan en het geduld niet voor. Maar zet een sudoku, een Zweedse puzzel of een kruiswoordraadsel in je blaadje en je kan er op rekenen dat ik het met passie ga zitten oplossen.
Nu moet ik wel zeggen dat ik me er sinds afgelopen zaterdag iets minder voor schaam. De reden daarvoor is tweeërlei: het had iets te maken met het type puzzel waar ik me aan zette en het had iets te maken met een reactie die ik later op de dag kreeg.
In het weekendmagazine van het NRC Handelsblad staan altijd een sudoku en een scrypto. Die sudoku klus ik altijd wel in elkaar, maar die scrypto laat ik meestal maar voor wat-ie is, want ik ben niet zo van het cryptische. Klare taal past me beter. Maar zaterdag dacht ik in een vlaag van overmoed of gestuurd door een behoefte aan intellectuele uitdaging: laat ik die scrypto eens proberen.
Het begon zoals het altijd begint: met een verwilderde blik in de ogen zat ik naar de aanwijzingen te staren, onderwijl “what the fuck” denkend. Maar toen! Ineens zàg ik er eentje! En daarna nog een! En als je er dan twee hebt, heb je ook alweer meer letters voor de overige woorden / zinnetjes en met dat houvast kwam ik verder en verder in mijn puzzel. Zat ik daar op een sombere zaterdag toch ineens een hele scrypto op te lossen zeg hé!
Later vertelde ik dit met lichte trots aan vriend K., die me vorsend aankeek. “Ik heb echt niets met puzzels”, zei hij, “Misschien omdat ik er helemaal niet goed in ben.” Ik trok een verontschuldigend gezicht en mompelde iets van: “Ja god nou ja, het is ook wel een suffe bezigheid, maar ja…” Daarop zei vriend K.: “Nou… in van die vierkanten met letters ben ik wel goed. Dat je dan woorden moet zoeken.”
Ik probeerde nog sympathiek en begripvol te zijn. Maar dat lukte niet helemaal. Ik schoot onbedaarlijk in de lach, met zo’n priemend vingertje naar K. wijzend en “Woordzoekers, for crying out loud!” hikkend.
Daarna was de schaamte voor mijn puzzelliefde ineens wel minder. Want als iemand met droge ogen durft toe te geven dat hij zich laaft aan woordzoekers terwijl ik met verve een scrypto weet op te lossen, doet mij dat stiekem heel erg goed.
maandag 14 juni 2010
Teringtoeters
Vanmiddag staat de eerste WK wedstrijd van Oranje op het program. Binnen mijn bedrijf is besloten dat we met zijn allen mogen kijken. Ik heb heel weinig (lees: niets) met voetbal, maar in tijden van Oranjekoorts blijk ik toch altijd een chauvinistische inborst te hebben. Ik ben niet zo iemand die in een brulshirt voor de buis zit, maar ik heb wel een speciale outfit voor gelegenheden als deze: een grijs T-shirt met daarop de tekst “Oranje staat me niet”.
Wat me de laatste weken een beetje irriteerde, was dat de Oranjegekte al zo vroeg losbarstte. Veel mensen hebben volgens mij hun meuk van Koninginnedag gewoon niet opgeruimd en daarom zitten we al anderhalve maand met oranje vlaggetjes in de straten. Daardoor gaat het bijzondere er vanaf. Op mijn route naar Kantoor viel eerst in juichende oranje opblaasletters “Hup Holland Hup” te lezen, maar inmiddels is daar alleen nog “up, oland hp” van over. Dat krijg je als je te vroeg begint met zulk soort dingen. Dat is net zoiets als nog vóór Sinterklaasavond je kerstboom optuigen. Dan heb je ook een kale stronk met ballen over tegen de tijd dat het echt kerst is.
Maar afijn. Ieder z’n meug.
Dit jaar houd ik me verre van alle te collecteren waar die door levensmiddelengiganten worden verstrekt. Voor mij geen gogo’s of handjes of weet ik hoe het allemaal heet. Ik bezit slechts één beesie en dat vind ik wel een aandoenlijk ding, maar ik ga niet speciaal actieproducten kopen om een heel legioen van die wurmen bij elkaar te krijgen. En wat ik al zeker niet wil hebben, is zo’n Vuvuzela.
Waarom bestaan die dingen? Waarom worden we hieraan blootgesteld? Wat is er leuk aan?! In dit verband staan de letters WK in het woord “WK-toeter” toch voornamelijk voor “Walgelijk” en “Kut”? Die dingen vormen een aanslag op je gehoor! De godganse dag is het van “pwèèèèp”. En ik kan heel veel hebben hoor, echt waar, maar dit dus niet! WK-toeters, lieve lezers, halen het slechtste in mij naar boven. Zodra ik zo’n ding hoor krijg ik de neiging om die teringtoeter ófwel bij de eigenaar in de endeldarm te proppen, ofwel om ‘m in één vloeiende beweging door de strot te rammen. Maar echt.
Maar het leukste van alles is dat dat ook màg. Ja, eerlijk waar! Want: voetbal is oorlog. And all is fair in love and war.
U bent gewaarschuwd.
Wat me de laatste weken een beetje irriteerde, was dat de Oranjegekte al zo vroeg losbarstte. Veel mensen hebben volgens mij hun meuk van Koninginnedag gewoon niet opgeruimd en daarom zitten we al anderhalve maand met oranje vlaggetjes in de straten. Daardoor gaat het bijzondere er vanaf. Op mijn route naar Kantoor viel eerst in juichende oranje opblaasletters “Hup Holland Hup” te lezen, maar inmiddels is daar alleen nog “up, oland hp” van over. Dat krijg je als je te vroeg begint met zulk soort dingen. Dat is net zoiets als nog vóór Sinterklaasavond je kerstboom optuigen. Dan heb je ook een kale stronk met ballen over tegen de tijd dat het echt kerst is.
Maar afijn. Ieder z’n meug.
Dit jaar houd ik me verre van alle te collecteren waar die door levensmiddelengiganten worden verstrekt. Voor mij geen gogo’s of handjes of weet ik hoe het allemaal heet. Ik bezit slechts één beesie en dat vind ik wel een aandoenlijk ding, maar ik ga niet speciaal actieproducten kopen om een heel legioen van die wurmen bij elkaar te krijgen. En wat ik al zeker niet wil hebben, is zo’n Vuvuzela.
Waarom bestaan die dingen? Waarom worden we hieraan blootgesteld? Wat is er leuk aan?! In dit verband staan de letters WK in het woord “WK-toeter” toch voornamelijk voor “Walgelijk” en “Kut”? Die dingen vormen een aanslag op je gehoor! De godganse dag is het van “pwèèèèp”. En ik kan heel veel hebben hoor, echt waar, maar dit dus niet! WK-toeters, lieve lezers, halen het slechtste in mij naar boven. Zodra ik zo’n ding hoor krijg ik de neiging om die teringtoeter ófwel bij de eigenaar in de endeldarm te proppen, ofwel om ‘m in één vloeiende beweging door de strot te rammen. Maar echt.
Maar het leukste van alles is dat dat ook màg. Ja, eerlijk waar! Want: voetbal is oorlog. And all is fair in love and war.
U bent gewaarschuwd.
dinsdag 8 juni 2010
Existentiële vragen
Gisteravond lag ik weer te woelen in mijn ledikant. Ik werd bedolven onder een onophoudelijke stroom aan gedachten. Hectiek heerscht in mijn leven op het moment, niet eens zozeer in de zin dat ik het druk heb, wel in de zin dat er veel gaande is waar ik aandacht aan moet besteden. Het is zoals ik anderhalve week geleden samen met P. constateerde: “Ik sta aan het begin van een heel moeilijk stuk.”
Met diezelfde P. heb ik vorige week heel wat goede gesprekken gevoerd. Elke dag meldde ik me weer ten zijne burele voor een goede sit & talk sessie. Er is de laatste tijd het één en ander duidelijk geworden over mij. Over structuren die doorbroken moeten worden. Dingen die telkens weer verkeerd gaan. Dingen die ik onder ogen moet gaan zien om ze daarna te kunnen veranderen.
Zo heb ik bijvoorbeeld een rechter in mijn hoofd. Ik noem het een rechter, P. noemt het “een dictator met een grote bek”. Voor die rechter slash dictator is het nooit goed genoeg. Wat ik ook doe, het kan altijd beter. De lat ligt onwaarschijnlijk hoog (en dan ga je er altijd aan onderdoor).
Daar komt nog bij dat ik mezelf kwijt ben. De dingen die ik doe zijn altijd ter meerdere eer en glorie van anderen. Als ik maar leuk ben. Als ik maar lief ben. Als ik maar doe wat ‘goed’ is voor de ander. Alleen: ik stoot telkens mijn neus. Want als ik tien dingen doe en er zijn er negen goed, dan ligt de nadruk meteen op dat ene ding dat beter had moeten zijn. Soms doe ik dat zelf, soms doen anderen dat. Dat ene ding was dan misschien in mijn eigen voordeel, maar hé, dat telt niet!
Dit zijn nog maar twee dingetjes, want er speelt meer. Er spelen dingen van vroeger die verwerkt moeten worden. Die ik misschien, op den duur, zelfs mag gaan betreuren. Verdriet om hoe het nooit is geweest.
Gisteren zei P. tegen mij: “Ik moet bij jou steeds denken aan het sprookje van het Lelijke Jonge Eendje. Je hebt nog steeds het beeld van ‘toen’, en daardoor geen oog voor hoe het nu is, wat je allemaal hebt bereikt en hoe mooi je bent geworden…”
Ik moest daar een beetje om lachen en blozen. Maar P. zei: “Ik meen het serieus, Anne.”
Het gevolg, en hetgeen waar ik gisteravond van wakker lag, zijn existentiële vragen. Wat blijft er over als ik de patronen heb doorbroken? Wie ben ik als ik leer om voor mezelf te kiezen? Wat wil ik dan? Komt er dan een andere Anne boven water? Moet ik mezelf dan opnieuw leren kennen?
Het maakt me bang. Maar toch wil ik de moed bij elkaar blijven rapen. Moed die soms uit mijn schoenen moet komen, die soms de moed der wanhoop is, maar de moed die ik in elk geval nooit wil verliezen.
Moed is, denk ik, bang zijn en toch doorgaan...
Met diezelfde P. heb ik vorige week heel wat goede gesprekken gevoerd. Elke dag meldde ik me weer ten zijne burele voor een goede sit & talk sessie. Er is de laatste tijd het één en ander duidelijk geworden over mij. Over structuren die doorbroken moeten worden. Dingen die telkens weer verkeerd gaan. Dingen die ik onder ogen moet gaan zien om ze daarna te kunnen veranderen.
Zo heb ik bijvoorbeeld een rechter in mijn hoofd. Ik noem het een rechter, P. noemt het “een dictator met een grote bek”. Voor die rechter slash dictator is het nooit goed genoeg. Wat ik ook doe, het kan altijd beter. De lat ligt onwaarschijnlijk hoog (en dan ga je er altijd aan onderdoor).
Daar komt nog bij dat ik mezelf kwijt ben. De dingen die ik doe zijn altijd ter meerdere eer en glorie van anderen. Als ik maar leuk ben. Als ik maar lief ben. Als ik maar doe wat ‘goed’ is voor de ander. Alleen: ik stoot telkens mijn neus. Want als ik tien dingen doe en er zijn er negen goed, dan ligt de nadruk meteen op dat ene ding dat beter had moeten zijn. Soms doe ik dat zelf, soms doen anderen dat. Dat ene ding was dan misschien in mijn eigen voordeel, maar hé, dat telt niet!
Dit zijn nog maar twee dingetjes, want er speelt meer. Er spelen dingen van vroeger die verwerkt moeten worden. Die ik misschien, op den duur, zelfs mag gaan betreuren. Verdriet om hoe het nooit is geweest.
Gisteren zei P. tegen mij: “Ik moet bij jou steeds denken aan het sprookje van het Lelijke Jonge Eendje. Je hebt nog steeds het beeld van ‘toen’, en daardoor geen oog voor hoe het nu is, wat je allemaal hebt bereikt en hoe mooi je bent geworden…”
Ik moest daar een beetje om lachen en blozen. Maar P. zei: “Ik meen het serieus, Anne.”
Het gevolg, en hetgeen waar ik gisteravond van wakker lag, zijn existentiële vragen. Wat blijft er over als ik de patronen heb doorbroken? Wie ben ik als ik leer om voor mezelf te kiezen? Wat wil ik dan? Komt er dan een andere Anne boven water? Moet ik mezelf dan opnieuw leren kennen?
Het maakt me bang. Maar toch wil ik de moed bij elkaar blijven rapen. Moed die soms uit mijn schoenen moet komen, die soms de moed der wanhoop is, maar de moed die ik in elk geval nooit wil verliezen.
Moed is, denk ik, bang zijn en toch doorgaan...
dinsdag 1 juni 2010
Alle duiven op het dak
Het begon met één duif.
Daarna kreeg die duif een metgezel. Daar schrok ik van. Niet omdat ik bang ben van duiven hoor, dat is het niet. Ik ben bang van, nou ja, best wel veel, maar ik vind de duif echt het sufste dier dat Moeder Natuur heeft voortgebracht. Duiven zijn ook heel suïcidaal, wist u dat? Ik zie nooit platgereden andere vogels, maar platgereden duiven zie ik om de haverklap. Ik denk dat duiven het zelf ook niet leuk vinden om duif te zijn.
Dat ik schrok van de tweede duif had vooral te maken met het feit dat de duiven ieder op een eigen vensterbank door mijn raam naar binnen zaten te koekeloeren. Een beetje hooghartig. Vanaf de bank zat ik ineens een spelletje ‘wie knippert het eerst’ te doen met dat gevogelte. Ik weet niet eens of duiven knipperen, maar ik ga er voor het gemak maar even vanuit van wel.
Dit akkefietje stond niet op zichzelf. Het duivenduo streek veel vaker neer voor mijn venster. Dat deed me denken aan een liedje dat ik als kind heb geleerd: “Voor mijn venster vliegt een duifje”. Mijn zus en ik wilden dit liedje en het bijbehorende dansje ooit eens opvoeren voor opa en oma, maar we kregen halverwege de performance slaande ruzie. Dat was minder erg geweest als oom F. die vete niet op video had vastgelegd. Ik ben nog steeds vrij gemakkelijk te chanteren door te dreigen met vertoon van die videobeelden. Oom F. weet dat.
Terug naar de duiven. Die hadden dus mijn vensterbank gekraakt. Ze waren daarnaast ook erg gehecht geraakt aan mijn dak. Vanaf de vensterbank stegen ze dikwijls nog een etage op en dan hoorde ik ze boven mijn hoofd koeren en een beetje rondscharrelen en langzaam maar zeker werd mijn dak hun vaste verblijfplaats. Vervolgens zijn ze – denk ik – ook nog flink van bil gegaan boven mijn hoofd, want zoals u weet leggen in mei alle vogeltjes een ei en de duif is daar geen uitzondering op. Het resultaat: mijn dak is nu de kraamkamer van een x aantal babyduiven.
Ik heb daar geen bezwaar tegen. Af en toe word ik een beetje gek van het gekoer, maar het is ook wel schattig. Ik heb geen verstand van babyduiven, dus ik weet niet hoelang ze van mijn gastvrijheid gebruik willen maken.
In mijn poging dit blogje een beetje leuk af te sluiten, googelde ik even naar spreekwoorden over duiven. “Onder iemands duiven schieten” was de enige die ik zo snel kon vinden. In de uitleg bij dit spreekwoord las ik dat duiven vrij gemakkelijk onder schot te krijgen zijn. Dat is geen leuke uitsmijter, maar het onderschrijft wel mijn stelling dat duiven suïcidale diertjes zijn.
En het biedt perspectief voor als de kraamtijd me te lang duurt.
Daarna kreeg die duif een metgezel. Daar schrok ik van. Niet omdat ik bang ben van duiven hoor, dat is het niet. Ik ben bang van, nou ja, best wel veel, maar ik vind de duif echt het sufste dier dat Moeder Natuur heeft voortgebracht. Duiven zijn ook heel suïcidaal, wist u dat? Ik zie nooit platgereden andere vogels, maar platgereden duiven zie ik om de haverklap. Ik denk dat duiven het zelf ook niet leuk vinden om duif te zijn.
Dat ik schrok van de tweede duif had vooral te maken met het feit dat de duiven ieder op een eigen vensterbank door mijn raam naar binnen zaten te koekeloeren. Een beetje hooghartig. Vanaf de bank zat ik ineens een spelletje ‘wie knippert het eerst’ te doen met dat gevogelte. Ik weet niet eens of duiven knipperen, maar ik ga er voor het gemak maar even vanuit van wel.
Dit akkefietje stond niet op zichzelf. Het duivenduo streek veel vaker neer voor mijn venster. Dat deed me denken aan een liedje dat ik als kind heb geleerd: “Voor mijn venster vliegt een duifje”. Mijn zus en ik wilden dit liedje en het bijbehorende dansje ooit eens opvoeren voor opa en oma, maar we kregen halverwege de performance slaande ruzie. Dat was minder erg geweest als oom F. die vete niet op video had vastgelegd. Ik ben nog steeds vrij gemakkelijk te chanteren door te dreigen met vertoon van die videobeelden. Oom F. weet dat.
Terug naar de duiven. Die hadden dus mijn vensterbank gekraakt. Ze waren daarnaast ook erg gehecht geraakt aan mijn dak. Vanaf de vensterbank stegen ze dikwijls nog een etage op en dan hoorde ik ze boven mijn hoofd koeren en een beetje rondscharrelen en langzaam maar zeker werd mijn dak hun vaste verblijfplaats. Vervolgens zijn ze – denk ik – ook nog flink van bil gegaan boven mijn hoofd, want zoals u weet leggen in mei alle vogeltjes een ei en de duif is daar geen uitzondering op. Het resultaat: mijn dak is nu de kraamkamer van een x aantal babyduiven.
Ik heb daar geen bezwaar tegen. Af en toe word ik een beetje gek van het gekoer, maar het is ook wel schattig. Ik heb geen verstand van babyduiven, dus ik weet niet hoelang ze van mijn gastvrijheid gebruik willen maken.
In mijn poging dit blogje een beetje leuk af te sluiten, googelde ik even naar spreekwoorden over duiven. “Onder iemands duiven schieten” was de enige die ik zo snel kon vinden. In de uitleg bij dit spreekwoord las ik dat duiven vrij gemakkelijk onder schot te krijgen zijn. Dat is geen leuke uitsmijter, maar het onderschrijft wel mijn stelling dat duiven suïcidale diertjes zijn.
En het biedt perspectief voor als de kraamtijd me te lang duurt.
Abonneren op:
Posts (Atom)
U Zei?! - Deel 36
De laatste maanden verzamelde ik weer heel wat verhaspelingen. Hierbij de nieuwe lijst. Om de donkere dagen en de gedeeltelijke lockdown wat...
-
De laatste maanden verzamelde ik weer heel wat verhaspelingen. Hierbij de nieuwe lijst. Om de donkere dagen en de gedeeltelijke lockdown wat...
-
Die boeren en die vrouwen, die maken het me niet makkelijk dit jaar. Gisteren was het echt een saaie aflevering. Vorig seizoen was het heus ...
-
De donkere dagen voor kerst zijn weer alomtegenwoordig, met alle jingle bells en dromen over een witte kerst die daarbij horen. Winkelstrate...